Ringen, meten en bemonsteren



Wilde eenden zijn 17 maanden lang intensief bemonsterd op vogelgriepvirussen, waarbij de eendenkooi ongeveer 6 keer per maand bezocht werd. Bij ieder bezoek zijn er wilde eenden gevangen in één of meerdere vangpijpen, variërend van 3 tot 33 wilde eenden per bezoek.

Tijdens het voorjaar, waarin het vangen van eenden in de vangpijpen moeizaam ging, zijn er ook broedende vrouwtjes van het nest gevangen. Iedere wilde eend die gevangen werd kreeg allereerst een metalen ring van het Vogeltrekstation waarop een uniek nummer staat, zodat bij terugvangst bekend was welk individu dit was. Vervolgens werd het geslacht en de leeftijd van iedere eend vastgesteld, namelijk juveniel (jonger dan 1 jaar) of adult (ouder dan 1 jaar). Ook werd iedere eend gewogen om conditie van het individu te kunnen beoordelen. Om te bepalen of een eend besmet was met het vogelgriepvirus werd zowel een monster van de cloaca als van de keel genomen. Geringde eenden die werden terug gevangen werden nogmaals bemonsterd.



Bemonsterde eenden


In 17 maanden tijd zijn 820 Wilde eenden geringd en bemonsterd op de aanwezigheid van vogelgriepvirussen. Van deze geringde eenden is 58% één of meerdere malen terug gevangen in de eendenkooi.

Eén eend is zelfs 28 keer teruggevangen in 17 maanden tijd! Door eenden te ringen is het mogelijk om individuen te volgen door de tijd heen, om zo meer inzicht te krijgen in het verloop van hun infectie met vogelgriepvirussen. Het percentage bemonsterde mannetjes en vrouwtjes was vrijwel gelijk: 49% man en 51% vrouw. Van de bemonsterde eenden was 60% ouder dan 1 jaar en 22% jonger dan 1 jaar. Van 18% van de eenden kon de leeftijd niet worden vastgesteld. De lichaamsmaten die van iedere eend genoteerd zijn laten zien dat mannen, zowel jong als oud, gemiddeld groter en zwaarder zijn dan vrouwen (tabel 2).



Infectie met het vogelgriepvirus


Het percentage wilde eenden dat geïnfecteerd was met vogelgriepvirussen gedurende de hele onderzoeksperiode was 12%.

Eenden jonger dan 1 jaar waren vaker geïnfecteerd (20%) dan volwassen eenden (11%). Dit verschil is mogelijk te verklaren doordat jonge eenden nog geen bescherming hebben tegen vogelgriepvirussen omdat ze deze nog niet eerder in hun leven zijn tegengekomen, terwijl eenden ouder dan 1 jaar al vaker geïnfecteerd zijn geweest met deze virussen en bescherming in de vorm van antilichamen hebben opgebouwd. Er was geen verschil in infectie tussen mannen en vrouwen, namelijk 12% van de mannen was geïnfecteerd tegen 11% van de vrouwen. Als we kijken naar het percentage eenden dat geïnfecteerd was met vogelgriepvirussen over de gehele onderzoeksperiode van 17 maanden, dan is een enorme piek in het najaar te zien (september, oktober, november). In deze tijd was meer dan 50% van de eenden geïnfecteerd met vogelgriepvirussen. Verder zien we een kleine infectiepiek in januari, waarna in het voorjaar geen enkel individu besmet was met het virus, terwijl in juni en juli het aantal eenden dat geïnfecteerd was weer stijgt.

Na de piek in het najaar neemt het percentage geïnfecteerde eenden af, waarna het stabiliseert in februari en maart. De piek in juni en juli kan mogelijkerwijs verklaard worden door het aantal jonge eenden dat uit het ei komt en geen bescherming heeft tegen vogelgriepvirussen en hierdoor snel geïnfecteerd raakt. Maar wat verklaart die enorme infectiepiek in het najaar? Mogelijk kan de verklaring gezocht worden in de herfstmigratie. Het najaar kenmerkt zich door grote groepen vogels die van hun broedgebied migreren naar hun overwinteringsgebied in het zuiden. Waterplassen worden gevuld met grote groepen watervogels en hierbij hoeft maar een enkel individu geïnfecteerd te zijn met een vogelgriepvirus om de rest ook te besmetten. Migrerende vogels kunnen worden blootgesteld aan het vogelgriepvirus in Nederland, maar het is ook mogelijk dat ze het virus meebrengen naar Nederland om zo de watervogels die niet migreren (jaargasten) te besmetten.

Een manier om daar achter te komen is door het meten van waterstof stabiele isotopen, waarbij je aan de hand van een veertje de herkomst (migrant of jaargast) van een individu kunt bepalen. In het kort deze onderzoeksmethode toegelicht, veren dragen chemische informatie van het gebied waar ze geruid hebben, dus zo ook de stabiele isotoop deuterium van waterstof, afkomstig uit lokale neerslag. Regenwater wordt opgenomen in planten en doorgegeven via de voedselketen in veren. Dit vindt alleen plaats tijdens de groei van veren, dus als vogels in de rui zijn, en verandert nadien niet in de tijd. In Europa en de rest van de wereld varieert het deuterium in neerslag (door verschil in temperatuur en hoogte) welke in kaart zijn gebracht. Nu is het mogelijk om met behulp van deze kaarten én het deuterium in veren te achterhalen waar individuele vogels hebben geruid. Wilde eenden ruien direct na het broedseizoen. Vogels die in Noord Europa gebroed hebben, ruien voordat ze migreren naar hun overwinteringsgebied in het zuiden. Dus als we in de winter een veertje afnemen van een Wilde eend kunnen we bepalen of het een migrant is, welke zijn veren geruid heeft in Noord Europa (Scandinavië, Baltische Staten, Rusland) of dat het een jaargast is, welke in Centraal Europa geruid heeft (Nederland, Duitsland, Frankrijk). Momenteel zijn onderzoekers druk bezig om met behulp van stabiele isotopen de gemeten najaarspiek in ons onderzoek te verklaren.


Kooikersvereniging

Adres secretariaat
Strengstraat 4
6617 AT BERGHAREN

info@kooikersvereniging.nl



© 2017 Kooikersvereniging

powered by Natuurlijk !