WESTERLAND

 

 

Naam: Slijkerman ook wel Westerlandkooi, kooi Westerklief of eendenkooi Haukes
Eerste vermelding: 1676
Ligging: in de Hoelmerpolder aan de Hollebalgweg, een kleine kilometer ten westen van Westerklief
Aantal vangpijpen: zeven
Recht van afpaling/aantal meters: Ja / 1130 meter
Grootte: totaal 3,5 hectare. Kooiplaats is 60 bij 90 meter
Kooitype: Noord-Hollands
Landschap: in een laaggelegen stuk weiland ten oosten van een stuwwal, met in de ondergrond keileem
Eigenaar: Slijkerman
Kooiker(s): Slijkerman
Huidige functie: Vangend

 

Naamgeving

De Slijkermankooi dankt zijn naam aan de huidige kooikersfamilie. De kooi staat ook bekend als eendenkooi Westerklief (naar het dorp) of eendenkooi Haukes (naar het buurtschap. Haukes verwijst naar laaggelegen, drassig land)

 

Schat

De kleine puntige stukjes vuursteen die op de flanken van de keileemopduiking ter hoogte van de Hollebalgweg zijn gevonden door archeologen, herinneren aan een periode waarin het voormalige eiland Wieringen plaats bood aan prehistorische jagers en verzamelaars. Duizenden jaren later liepen er Vikingen rond. Op een voorjaarsdag ergens in de vroege 10de eeuw na Christus verstopten zij in een open weidelandschap een schat met daarin een grote hoeveelheid zilverwerk. De Vikingen verdwenen, maar de schat bleef liggen. Had Jan Cornelis Broers in 1676 besloten om de spade 300 meter verderop in de grond te steken voor het graven van een poel met vangarmen om eenden in te vangen, dan had hij zich rijk kunnen rekenen en was er misschien wel niets terecht gekomen van deze kooi.

 

Vogelschuit

Jan Cornelis was zeker niet de eerste Wieringer die zich bezig hield met het vangen van eenden op het eiland. Wieringen was een echt vogelvangeiland. Iedere woensdag voer er een speciale ‘vogelschuit’ van Wieringen richting Amsterdam met aan boord kistenvol met gevangen vogels. Al in de 16de eeuw werd het beroep van kooiker hier door verschillende mensen uitgeoefend. Uit oude bronnen van de Gravelijkheidsrekenkamer blijkt dat er in totaal achttien keer een vergunning is uitgegeven voor het aanleggen van een eendenkooi op Wieringen. Twee van die kooien zijn nu nog steeds in bedrijf. Jan Cornelis Broers vroeg toestemming om een vogelkooi aan te mogen leggen ”int westeijde van de Hoelemer Koogh” en kreeg op 14 augustus 1676 een brief met groen licht voor zijn plannen. Had hij toen kunnen bedenken dat zijn kooi zo’n 340 jaar later nog steeds in bedrijf zou zijn?

De kooi ging van vader op zoon over op Cornelis Janz. Broers, Jan Cornelisz. Broers (vanaf dan Kooijman), Simon Jansz. Kooijman, Jan Kooiman en Cornelis Kooijman. In 1950 verkocht weduwe Geertje Kooijman de eendenkooi aan Johannes Petrus Slijkerman voor 1000 gulden. Zijn zoon Jan Slijkerman nam de kooi over in 1975.

 


Op de foto hiernaast heeft meneer Slijkerman net een eend te pakken

 

Schieten met snaphanen

Om de rust in een eendenkooi te waarborgen werd in 1567 bij wet vastgelegd dat het verboden was om binnen een straal van 500 roeden (1800 meter) met geweren te schieten of om op de schermen te kloppen. Ook mocht er niet geroepen en gegild worden. Toen dit zogenaamde recht van afpaling zo’n 150 jaar later op verschillende plaatsen op Wieringen werd geschonden, trokken de kooikers gezamenlijk op om hier via gerechtelijke weg een einde aan te maken. Tijdens een rechtszitting op 17 september 1733 kwam de zaak aan de orde. De kooilieden klaagden over “verscheijde opgesetene aldaar die haar niet ontsien om in de herfstmaanden als de plasregenen of wateren in ’t land sijn, met hunne netten te leggen, ende de kooijlieden te ontrusten door het schieten met snaphanen (geweren) en ander geluijt te maken, vangende niet alleen wilde vogelen maar ook de stellen de kooijlieden in eijgendom toebehorende”. De zaak leidde ertoe dat iedereen die binnen het afgepaalde gebied rondom een kooi voor onrust zorgde, of binnen dit gebied met netten en touwen op wilde vogels joeg in het vervolg een boete van 30 gulden tegemoet kon zien. Bij een volgende overtreding liep dat bedrag op tot 100 gulden.

 

Afpalingsrecht

Ruim tweehonderd jaar later beriep Cornelis Kooijman zich op het recht van afpaling. Door de aanleg van de verbindingsweg tussen Leeuwarden en Alkmaar op nog geen 400 meter afstand van het middelpunt van de kooi werd de rust voor de vogels verstoord. De kooiker spande daarom in 1941 een zaak aan tegen de Staat der Nederlanden, en eiste een schadeloosstelling van tienduizend gulden op grond dat het geraas en geluid door de aanleg van de weg zo groot was dat hij zijn werk niet meer kon doen. De rechtbank in Den Haag achtte de Staat niet aansprakelijk voor de geluidsoverlast, omdat niet de weg, maar de gebruikers van de weg de geluidshinder veroorzaakten.

 

Grote biodiversiteit

Omdat er door de eeuwen heen weinig verstoring plaatsvond in en rondom de eendenkooi werd het een reservaat voor veel bijzondere planten. In de jaren ’30 van de twintigste eeuw werd de kooi gekenmerkt door een ondoordringbare metershoge muur van kamperfoelie en braam. De éénstijlige en tweestijlige meidoorn kwam op Wieringen alleen voor in de drie toen nog resterende kooien. Het voorkomen zowel van grote brandnetel, zevenblad, fluitekruid pinksterbloem, speerdistel, hondsdraf, witte en paarse dovenetel, akkerkool en gewone klis, vlier, robertskruid, madeliefje, speenkruid, kruisbes, verschillende soorten boterbloem, watermuur, sneeuwklokje, ridderzuring, veldiep, paardenkastanje en es geeft aan dat er rond 1930 sprake was van een hoge biodiversiteit binnen de kooi. Vanaf de jaren ’50 kwamen er door toedoen van de familie Slijkerman een aantal soorten bij die al snel de overhand kregen in de kooi. Ieder voorjaar boorden duizenden sneeuwklokjes, lenteklokjes, zomerklokjes en boshyacinten zich door de net ontdooide grond, zodat er een deken van kleur onder de bladerloze bomen van het kooibos kwam te liggen. Door de bollenteelt kon de familie Slijkerman ook buiten het jachtseizoen verdienen aan de kooi.

 

Zomerkooi

Het kooikershuisje (’t kooiboetje) werd in 1950 gebouwd en is inmiddels dus meer dan 60 jaar oud. De kooi had oorspronkelijk zeven vangpijpen met lengtes variërend van 30 tot 70 meter. Eén van de pijpen wordt niet meer gebruikt. In de maanden augustus en september worden doorgaans de meeste eenden gevangen, die dan massaal in de Wieringermeerpolder verkeren vanwege het grote aanbod van voedsel. In deze periode kan er de hele dag gekooid worden. In de winter blijft het meestal bij twee keer per dag. Niet alleen de eenden weten de rust in de kooi te waarderen. De kooiker heeft er regelmatig een bunzing of hermelijn waargenomen. Ook komen er zo’n twintig soorten zangvogels voor.
 

Overzicht kooikers:

Jan Cornelis Broers (1676)
Cornelis Jansz. Broers
Jan Cornelisz. Kooijman
Simon Jansz. Kooijman
Jan Kooijman
Cornelis Kooiman
Johannes Petrus Slijkerman
Jan Slijkerman (huidig)

 

 

Literatuur:

 

  • Fijnheer-Rotgans, N., Vogelarij en vogelkooien op Wieringen (manuscript)
  • Leeuw, W.C. & J.L van Soest, De flora van Wieringen. Nederlands kruidkundig archief, 1931.
  • Karelse D., Excursieverslag eendenkooi van Slijkerman. 1985.
  • Ketelaar, F.C.J., De rechtsgeschiedenis van de eendenkooi. In: tijdschrift voor sociale genealogie en streekgeschiedenis voor Leiden en omstreken, No. 11. 1966, p. 296- 329

 

Bronnen:

  • Familie Slijkerman
  • Nel Fijnheer-Rotgans
  • Agrarisch Nieuwsblad, 26-4-1941.

 

 

© 2018 KONGSI van de EENDENKOOI

powered by Natuurlijk !